|

Gerard
Mosterd (41) geldt als een van de vernieuwers in de danskunst. Als geen
ander weet hij een Indische achtergrond plaats te geven in zijn choreografie.
Dat maakt hem populair in oost en west. Mosterd wist voor Archipel tijd
vrij te maken tijdens zijn toernee door Indonesie. Vanuit zijn hotelkamer
in Jakarta geeft hij uitgebreid antwoord op 9 vragen.
1.Je hebt na afronding van je opleiding aan het Koninklijk Conservatorium
bij een aantal buitenlandse gezelschappen gedanst. Nu je je meer en meer
op de choreografie richt betekent dit dan dat je je eigen danscarriere
aan de wilgen hebt gehangen?
Het organiseren en maken van dansvoorstellingen, zoals ik dat op dit moment
doe, is zodanig intensief dat er weinig ruimte over blijft om zelf te
dansen.Danste ik in het begin mijn eerste choreografieën nog zelf,
inmiddels heb ik daar helaas de ruimte niet meer voor maar het verlangen
om te dansen is er beslist nog wel. Tijdens repetities in de studio voel
ik me nog op en top danser.
2. Komt je fascinatie voor niet westerse (theater-) culturen voort uit
je eigen achtergrond? In 1986, een jaar na mijn afstuderen aan het Haagse
Conservatorium, werd ik uitgenodigd door het Taiwanese consulaat om gastvoorstellingen
in Taipei te dansen. Ik danste indertijd in Antwerpen en ik was totaal
gefocussed op Westerse cultuur. Alles daar buiten was me onbekend en leek
me primitief. Het kreeg ook nooit aandacht tijdens mijn dansvakopleiding.Het
was tijdens mijn eerste reis naar Azië dat er na een week aanwezigheid
aldaar brak er iets in me. Ik raakte gefascineerd door de inheemse podiumkunsten,
voelde direct een soort affiniteit. Met name ook omdat ik als kind in
dansrituelen
improviseerde voordat ik aangenomen werd op de dansacademie. Sindsdien
bleef het bereizen en onderzoeken van Azië vast op mijn menu staan.Met
muzikanten en dansers in mijn Indische familiegeschiedenis denk ik dat
het niet zo vreemd is dat mijn artistieke zoektocht me uiteindelijk naar
Indonesië leidde.
3. Wat vind je van het dansklimaat in Nederland vandaag de dag? In
het bijzonder voor gezelschappen als die van jou.
Sinds zo’n vijftig jaar is Nederland uitgegroeid tot een kleine
natie met een naar verhouding enorme dansinfrastructuur. Er zijn hier
veel dansers, gezelschappen, choreografen, opleidingen en aanverwante
instituten. Jaarlijks studeren er veel kwalitatieve dansstudenten af zonder
werk. Ook heeft de Nederlandse danswereld te leiden onder de internationale
recessie. Er is door de bocht genomen eigenlijk een overaanbod.Deze afgelopen
tour speelden wij in Bandung en Solo (deze laatste is de dansstad in Indonesië
bij uitstek) voor zalen van zo’n 500 enthousiaste en gespecialiseerde
dansliefhebbers. Nationale televisie en pers besteden aandacht aan onze
voorstellingen en zenden items uit over de gehele, 250 miljoen zielen
tellende archipel.Dat geeft wel een kick maar contrasteert met de situatie
in Nederland waar bv recensenten hebben besloten (ook onder druk vd redactie)
om alleen buitenlandse en gearriveerde/bekende groepen een publicatie
te
gunnen.
4. Hoe groot zijn de verschillen met die in landen als Maleisie en
Indonesie?
De Nederlandse danscultuur is pas na WO2 op de kaart gezet en bestaat
voornamelijk uit nieuwe, hedendaagse dans. ZO Azie danste al voordat de
in berevellen geklede voorouders van Batavieren elkaar de schedels insloegen
met een knots. Toch heeft Nederland het voordeel dat ze door een gebrek
aan danstraditie meer ruimte kan scheppen voor vernieuwende ontwikkelingen.
De situatie in Indonesie is nl gericht op conservering van danstradities.
Dat is noodzakelijk maar ik acht het van even groot belang om nieuwe initiatieven
te stimuleren. Er zijn Indonesische choreografen die dit proberen. Sommige
doen dat succesvol zoals wijlen Bagong Kussudjardja of prof. Sardono Kusumo
en jongere mensen als Boi Sakti uit Sumatra. In de regel blijft eigentijdse
Indonesische podiumkunst echter steken in traditionele concepten en bewegingstechnieken.
Ik vind dat daar wat aan moet gebeuren, oa dmv internationale samenwerkingen.
Ik houd er niet van om de Indonesische /Maleisische dansculturen, die
ik grondig bestudeerd heb, letterlijk te kopiëren, ik wil er een
eigenzinnige, eigentijdse versie van maken die er wel naar kan verwijzen.
Het concept en de structuur van de voorstelling Kamu/Jij boden me mijns
inziens uitstekend de ruimte daarvoor. Ik heb vaak scherpe discussies
gehad met Nederlandse ’dansspecialisten’ die meenden dat ik
de traditionele danstechnieken letterlijk zou moeten toepassen met nieuwe
dans. Ik ben het daar radicaal mee oneens omdat ik al jarenlang oneindig
veel resultaten van die aanpak in Indonesië heb gezien. Het meeste
spreekt mij niet aan omdat ik de eigenheid van de maker er doorgaans in
mis.Vorig jaar was ik uitgenodigd op het Indonesian Dance Festival in
Jakarta. Een invloedrijke Javaanse dansautoriteit opende het symposium
aldaar met de statement dat hedendaagse dans in Indonesië uitsluitend
mogelijk was als men eerst de traditie goed onder de knie had. Ik reageerde
daarop en publique met uit te leggen dat ik er erg trots op was dat het
Nederlandse hedendaagse cultuurbeleid ook artistieke initiatieven zonder
traditionele technische achtergrond een kans geeft om echt vernieuwend
danstheater te maken. Helaas is een schitterend initiatief zoals b.v .
School voor Nieuwe Dans Ontwikkeling (Amsterdam) voor Indonesië nog
verre toekomst muziek. Het Zuid Oost Aziatische publiek schijnt warm te
lopen voor mijn eigenzinnige interpretaties van Ind(ones)ische bewegingen
en onderwerpen want wij zijn nu voor het vierde achtereenvolgende jaar
uitgenodigd om in Indonesië te spelen inclusief Maleisië. Afgelopen
maart is er een half uur durende solo van me gedanst en de maand erop
een stuk voor zeven dansers door het Lasalle Singapore Institute of the
Arts waar ik inmiddels ook gevraagd ben om een maand lang een ?residency?
uit te voeren. Een en ander heeft te maken volgens mij met het feit dat
er een grote behoefte is binnen de ZO Aziatische danswereld aan eigenzinnige,
eigentijdse dansinitiatieven die niet klakkeloos Westerse bewegingstheateridiomen
overnemen maar zoeken naar een meer hedendaagse (Eur)Aziatische identiteit.In
Indonesie is cultuur (dans, muziek, theater etc.) zeer hogelijk gewaardeerd
en elementair in de maatschappij. Met andere woorden: het is op Java en
helemaal op Bali niet makkelijk om iemand te vinden die niet kan dansen.
Mensen met de meest gebruikelijke, alledaagse baantjes kunnen je een verrassende,
indrukwekkende demonstratie geven van hun skill in dans en muziek. Letterlijk
iedereen lijkt kunstenaar te zijn, vaak op een ongelofelijk niveau. Kun
je je voorstellen dat de kok van jouw biefstuk, als je hem vertelt dat
je ‘guru tari’ bent onverwacht een prachtige Barisdans achter
de wok laat zien? Of die taxichauffeur in Solo die onderweg toonde hoe
hij ‘Cakil’ in de Ramayana epos danste. Kunnen we daar een
puntje aan zuigen met onzeverzuildeEuro samenleving waarin kunstenaars
een geisoleerde subcultuur vormen? Maleisie heeft de afgelopen decennia
haar politieke accent gelegd op economische groei en consolidatie waardoor
de podiumkunsten er helaas nogal verwaarloosd zijn. Recente politieke
moslim fundamentalistische ontwikkelingen hebben er voor gezorgd dat prachtige
oude dans en muziekvormen (zoals in Kelantan: Noord Maleisie) dreigen
te verdwijnen.
Gelukkig vecht mijn vriend Joseph Gonzales, directeur van de nationale
dansacademie in KL (ASK) ervoor om deze kunsvormen te documenteren en
in te blijven studeren.
De afgelopen tour traden we op in het net geopende en geweldige Kuala
Lumpur Performing Arts Center waar ik contact maakte met de Chinees-Maleisische
dansscene. Deze is vooral gebaseerd op het van de Britse kolonisten geerfde
klassieke ballet en traditionele dansen. Ook in Indonesie houden mensen
met een Chinese achtergrond opvallend veel van klassiek ballet. Dit in
contrast met de orang Melayu en Indonesiers die vnl Pencak Silat, Maleise,
Sumatraanse, Javaanse en Balinese dansvormen omhelsen. Ondanks de afschuwelijke
economische crisis in Indonesie is de kunst, cultuur-voorziening en behoefte
er altijd sterk gebleven. Maleisie en Singapore lijken wat dit betreft
behoorlijk wat te hebben in te halen.
5. Over Kamu/Jij. Het lag nogal voor de hand om Couperus’
De Stille Kracht als onderwerp te nemen. Op gevaar van cliche. Waarom
raakte de roman je toch? En welke specifieke elementen uit dat boek?
Ik wilde al jarenlang een hedendaagse voorstelling maken geinspireerd
door De Stille Kracht. Couperus verhaal is een erotische thriller die
dramatisch afloopt tegen de achtergrond van een decadent Westers kolonialisme
in verval. Het contrast en conflict tussen de Javaanse geest en de vrije,
‘verlichte’ Europese wordt voelbaar gemaakt.
Ik maak hedendaags theater en het thema in dit Fin de Siecle boek is zo
hedendaags als wat. Ook als is het gepubliceerd in 1900, het conflict
tussen Oost en West keert net zo schrijnend terug vandaag de dag. Hoe
actueler kun je het hebben? Couperus’ ondoorgrondelijke ‘witte
Hadji’, symbool van vroom moslimschap die zich via onverklaarbare
aanslagen verzet tegen opgelegde Europese normen en waarden kon misschien
wel een inspiratiebron zijn voor de huidige heilige strijders van Al Qaeda
of de zelfmoordbomactivisten onlangs in Kuta en Jimbaran. (1 kilometer
was ik van de bom verwijderd tijdens de explosie, een dag na onze laatste
voorstelling in Denpasar.)
Echter wat mij echt raakt in het boek is het conflict van de dubbele moraal.
Wat je ziet is meestal niet wat het is. We krijgen inzichten in de sexuele
escapades en aantrekkingskrachten van de kolonisten. (Leonie met haar
onverzadigbare libido: Het vrije Westen met haar vrije seks op internet,
tv etc.)Bij de Javanen lijkt het verborgen, onderdrukt en getransformeerd
tot een Stille Kracht die gebruikt wordt om de Europeanen eruit te jagen.
De echte Stille Kracht is volgens mij universeel: het is het mysterie
van erotiek: aantrekking en afstoting tussen mensen. Onverklaarbaar en
soms dwingend. Mijn Ind(ones)ische achtergrond en ervaringen leren me
dat de houding naar seks en affectie binnen deze gemeenschap onderdrukkend
en complex is. Het heeft te maken met de radikale wisselingen in de Indonesische
geschiedenis en de onvrijheid om jezelf echt, confronterend te manifesteren.
Mijn eigen Indische moeder voedde me op met seks als taboe onderwerp.
Ze was er zelf in onderdrukt zoals veel Ind(one)sische mensen ook vandaag
nog. Het maakt niet uit dat ze Katholiek is en niet Moslim: Indo betekent
vaak: complex met sex!
Hindoe tempels als Candi Suku bij Solo waar lang geleden een stenen penis
en vagina werden vereerd markeren al de tegenstrijdigheden in de Indo
seksuele moraalgeschiedenis. De Javaanse ‘topeng’ staat echter
niet toe om publiekelijk affectie, laat staan erotiek te tonen. Deze houding
heeft verregaande konsekwenties voor deze cultuur. Begin dit jaar poogde
een wetsvoorstel in Jakarta om kussen in het openbaar streng te straffen
in navolging op fundamentalistische wetgeving van omliggende landen als
Maleisie en Brunei. Afgelopen September las ik in de Bali Post een artikel
over een matroos die bij Medan zich voor de krijgsraad moest verontschuldigen
omdat hij voor het uitvaren zijn vriendin omhelsde en kuste bij het afscheid
terwijl omstaand publiek toekeek.
Kortom: seksualiteit/affectie wordt (zelfs in toenemende mate) onderdrukt
en dat terwijl eeuwenoude Kakawin teksten in het Oud Javaans ons herinneren
aan een tijd dat erotische expressie als poetisch kon worden ervaren en
een zinnelijke manifestering van de hoogste godheid kon zijn. Couperus’
erotische symboliek en zijn Indische mystieke begrip ervan intrigeren
me. Ook het feit dat hij in die tijd er gedurfd over weet te zinspelen.
Als mens met een andere sexuele geaardheid die wij in onze moderne samenleving
gelukkig volledig accepteren moet het hem diep bezig hebben gehouden
6. Waarom leent juist het erotische zich voor dans en niet het mystieke?
Welke overeenkomsten in moraalleer zie je tussen het koloniale Indie en
het huidige Indonesie?
Er is voor mij geen verschil tussen mystiek en het erotische. Hans van
Manen vind dat dans erotiek is en dat vind ik een wijze uitspraak van
hem. Je kunt alle dansen erop na analyseren en beslist de Javaanse en
Balinese. Lichamelijke kunst is erotisch, vooral dans. De Bedoyo van de
Kratons dient door maagden gedanst te worden en de sensuele Balinese danshoudingen
stimuleren de lusten van de goden.De dubbele erotische moraal in hedendaags
Indonesie word alleen maar scherper zolang de fundamentalisering en struisvogelpolitiek
zich voortzet. In de Indische tijd was deze schizofrenie er al. Is niemand
de koloniale verhalen ontgaan van misbruikte bedienden, incest en buitenechtelijke
avonturen? Vandaag is niet veel anders behalve de schaal. ‘Gang
Dolly’ in Surabaya is het grootste prostitutiecentrum van heel Azie.
In centraal Jakarta (Jalan Laturharhary) verkopen honderden jonge, ongeschoolde
meisjes elke dag hun lichaam aan arme ‘Bajaj’ bestuurders
voor minder dan 1 Euro (!) per klant of zelfs een kom ‘Mie Bakso’.
Een verzwegen HIV bom! In de nacht ontluikt het leven van de‘Wariya’s’:transseksuelen
en zoeken jongens en mannen naar elkaars bevrediging. Levendige erotiek
speelt zich af in de schaduwwereld achter de façade van fatsoen.
De Indonesische Stille Kracht is een beklemmende libidineuze energie.In
Kamu/Jij bewegen de dansers zich tweedimensionaal in de publieke sector
vooraan gelijk wayang golek. Ze laten zich als houterige marionetten dicteren
door de publieke moraal. Achterin wordt duidelijk wie ze werkelijk zijn:
naar genegenheid hunkerende mensen die onder druk allerlei vormen van
(verboden) intimiteit willen beleven.
7. Hoe is de voorstelling in Maleisie en Indonesie ontvangen? Was
er nog discussie over deze koloniale roman? Of misschien zelfs anti-gevoelens
uit de moslimwereld?
De voorstellingen zijn goed ontvangen in Maleisie en Indonesie. Uit nagesprekken
bleek dat men al lang weet dat hier een schoen wringt. Niet lang geleden
was dit echter in Europa ook het geval. Er bestaat hier in Azie, zoals
overal waarnemend en intelligent publiek. Het blijft echter een onderwerp
wat de locale pers toch liever onaangeroerd lijkt te houden. Vooral omdat
we vlak voor de heilige maand Ramadhan speelden.De tijd van ‘Puasa’:
het wegwassen en afkopen van zonden om weer rein het nieuwe jaar te kunnen
beginnen
.
8. Plaats de voorstelling eens in de reeks van jouw stukken. Welke
conclusies trek je dan? Is er een groei, een lijn te ontdekken. Niet alleen
in kwaliteit maar ook in aanpak. (Zie antwoord vraag 4)
In mijn ontwikkeling als maker concentreer ik me inmiddels meer op de
inhoud van mijn voorstelling. Sprekende bewegingen plaatsen in een zinvolle
context is waar ik me op ben gaan focusen ism een dramaturg. Het lijkt
me een interessantere uitdaging dan het uitsluitend fabriceren van fraaie
fusion bewegingsaflopen. Ik zoek nu meer naar betekenis. Ook betrek ik
de dansers zelf meer in het scheppingsproces.Tegelijkertijd is het een
psychotherapeutisch proces voor me.
9. Wat staat er op stapel voor 2006/2007?
Ik moet me na terugkomst uit Azie nog even bezinnen maar er zijn enkele
nieuwe projekten op komst. Ik ben uitgenodigd door diverse Aziatische
festivals en academies om nieuwe voorstellingen te maken.
Een daarvan zou ik willen maken met enkele prachtige centraal Javaanse
dansers. Ook wil ik al lang een project realiseren met de Jaipongan dansers
van Pak Gugum Gumbira in Bandung. Daar komt veel organisatie bij kijken.
Dit soort organisatie vereist pionierswerk in een land waar theater management
praktisch onderontwikkeld is.
|